Edgard Eeckman’s onderzoek




Edgard Eeckman startte met zijn doctoraatsonderzoek eind 2009 en rondde het af met de openbare verdediging op 10 oktober 2018 waarmee hij Doctor in de media- en Communicatiestudies werd. Hij deed zijn studie aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn promotor was prof. Katia Segers, zijn co-promotor dr. Jan Schots.



Zijn onderwerp:

‘Power to the patient? De studie van de machtsbalans tussen patiënt en huisarts in relatie tot gezondheidsinformatie via het Web’
.

Edgard deed zijn onderzoek bij Nederlandstalige huisartsen enerzijds en bij Nederlandstalige volwassen Belgische patiënten anderzijds. De Ethische Commissie O.G. 016 keurde zijn studie goed op 29 maart 2012 (B.U.N. 143201213968).

Via zijn analyse heeft Edgard Eeckman een conceptueel denkkader ontwikkeld dat zowel de afhankelijkheden van patiënt en huisarts als de vormen van weerstand ertegen in kaart brengt. Het kan worden toegepast op elke gezondheidszorgsysteem en op de relatie tussen patiënten en artsen met andere kenmerken dan degene die onderzocht werden in zijn studie. 


Eeckman’s analyse toont hoe – door een nog beter begrip van de patiënt - de effectiviteit van de communicatieve elementen die vandaag al bekend zijn (verstaanbare informatie, shared-decision making en andere) kan worden vergroot door te focussen op de machtsdynamiek en het uiteindelijke doel: het verminderen van ongelukkigmakende en weerstandoproepende afhankelijkheid die het gevolg kan zijn van ziek zijn

Door dat denkkader wordt patiëntencommunicatie een middel om een onderliggende doel te bereiken. De analyse maakt ‘patient empowerment’ heel concreet. Ze toont hoe belangrijk het is voor zowel patiënt als arts om niet te verzeilen in een machtsdynamiek. Een confrontatie creëert immers enkel weerstand en levert noch voor de patiënt noch voor de arts iets positiefs op. Juist wederzijds vertrouwenmoet de relatie kenmerken. 

Aan zijn thesis ligt een complex en lang onderzoekstraject ten grondslag dat bestond uit:
  • Een uitgebreid en diepgaand literatuuronderzoek (dec 2009-oneindig)

Kwantitatief

  • Een webenquête waaraan 3.053 patiënten en personen die zich als gezond beschouwen, deelnamen (okt 2012-juli 2013)

Kwalitatief

  • De analyse van 24 op video opgenomen patiënt-huisartsconsultaties (sept-dec 2013)
  • De analyse van 24 opvolgingsinterviews afgenomen van de patiënten die deelnamen aan de op video opgenomen consultaties
    (sept-dec 2013)
  • De analyse van 7 opvolgingsinterviews afgenomen van de huisartsen die deelnamen aan de op video opgenomen consultaties
    (okt 2013-jan 2014)
  • De analyse van 3 focusgroepen met patiënten en personen die zich als gezond beschouwen (nov 2014)
  • De analyse van 2 discussiegroepen met huisartsen (maart 2015)

Algemeen
Terwijl de ene methode geen groter gewicht had dan de andere, had het kwalitatief deel (dat bestaat uit 5 methodes) de overhand boven de kwantitatieve methode. Zowel “observed” als “self-reported” gedrag werd geanalyseerd.“Online en offline” onderzoeksmethodes werden gecombineerd. De conclusies van het literatuuronderzoek, de Web survey en de observaties vormden de basis van de andere methodes. De follow-up interviews gaven context aan de observaties. De focusgroepen met patiënten en mensen die zich als gezond beschouwen en de discussiegroepen met huisartsen diepten de essentiële inzichten van de voorafgaande methodes verder uit.

Het ging dus om een "gemengde" onderzoeksaanpak waarbij het kwalitatief deel is ontwikkeld ter interpretatie van enerzijds het theoretisch denkkader dat werd gedistilleerd uit het literatuuronderzoek en van anderzijds de kwantitatieve resultaten van de Web survey en dit door zowel de onderzoeker als de respondenten.

Het principe van de “Conceptual Funnel” werd toegepast (Marshall & Rossman, 2006), waarbij het onderzoek vertrekt van een aantal belangrijke brede uitgangspunten – in dit geval (na het literatuuronderzoek) algemene (gekwantificeerde) statements gegenereerd uit de Web survey - om die gaandeweg te verdiepen en aan te vullen via het exploreren van de ervaring en de inzichten van patiënt en huisarts. Op die manier kon er sprake zijn van zogenoemde “triangulatie”: “een manier om eenzelfde onderzoeksvraag zowel met kwalitatieve als kwantitatieve gegevens van antwoord te voorzien teneinde de geldigheid ervan te maximaliseren” (Roose & Meuleman, 2014). Elke methode verdiepte de resultaten van de voorgaande methode, terwijl er ruimte bleef voor nieuwe elementen en doorlopend kritisch beoordelen van de uitkomsten van de methode die voorafging.