Het belang van de gepaste communicatie


Gepast interpersoonlijk communiceren – dus op maat van elke individuele patiënt - is een belangrijk middel om tot ‘patient empowerment’ te komen. De communicatie tussen patiënt en arts daartoe heeft vier doelstellingen. 

1. Informeren

De patiënt en de arts informeren elkaar en de arts helpt de patiënt kennis op te bouwen.
Geïnformeerd zijn staat niet gelijk aan geëmpowerd zijn, maar het is er wel een belangrijke voorwaarde van. Een patiënt met het gevoel dat hij of zij bijvoorbeeld niet voldoende weet welke ziekte hij of zij heeft of waaruit zijn of haar behandeling bestaat, voelt al snel controleverlies met betrekking tot de resources ‘informatie’ en ‘kennis’.

2. Invloed uitoefenen = argumenteren

Patiënt en arts beïnvloeden elkaar.Beïnvloeden betekent hier dat patiënt en arts argumenten en gezichtspunten uitwisselen. Daarvoor moeten zij natuurlijk voldoende geïnformeerd zijn. De arts kan charismatisch zijn of vriendelijk en vertrouwenwekkend. Dat is uiteraard positief. Daardoor heeft een patiënt misschien de neiging om tijdens de consultatie sneller akkoord te gaan met de argumenten van de arts. In het beste geval echter raakt de patiënt zelf door argumentatie ervan overtuigd dat een bepaalde behandeling de beste keuze is. De kans is dan ook groter dat hij of zij de behandeling correct zal uitvoeren.

3. Macht uitoefenen

Zowel de patiënt als de arts kunnen macht uitoefenen, ze zijn immers van elkaars resources afhankelijk. De arts kan dat door arrogantie, bijvoorbeeld door tegen een patiënt te zeggen: “Als u het toch allemaal beter weet, wat komt u hier dan doen?”. Een patiënt doet dat door eisen te stellen, bijvoorbeeld als hij tegen zijn arts zegt: “Ik heb dit opgezocht, en dat is het medicament dat ik wil”. 

Beide houdingen duwen de patiënt-artsrelatie in een machtsdynamiek. Ze zijn immers niet afgestemd op overleg en samenwerking. Dat staat haaks op het vertrouwen dat een patiënt-artsrelatie zou moeten kenmerken. Macht uitoefenen is dus niet aangewezen. 

Toch kan het in sommige gevallen nodig zijn. Een patiënt die vindt dat hij te weinig wordt geïnformeerd over zijn ziekte of behandeling, kan zich beroepen op de Belgische wet op de patiëntenrechten (2002). Op die manier kan hij het ontvangen van informatie afdwingen. Een arts die geconfronteerd wordt met een patiënt die een specifieke behandeling eist, kan ook zijn wettelijke rechten inroepen om de behandeling te weigeren. Het is dus goed dat deze wederzijdse rechten bestaan. Maar het is voor het vertrouwen in de patiënt-artsrelatie het best dat ze niet ingeroepen moeten worden.

4. Empoweren

Een patiënt informeren en hem helpen kennis op te bouwen en met hem argumenten uitwisselen over het waarom van een bepaalde behandeling zijn belangrijke stappen naar ‘patient empowerment’. Het werkt empowerment in de hand, maar het staat niet gelijk aan ‘patient empowerment’. Daarvoor moet een patiënt ook een gevoel van controle hebben over het beslissingsproces tijdens de consultatie. 


Daar lijkt in de praktijk nog teveel de schoen te wringen. Het onderzoek van Edgard Eeckman bevestigt andere onderzoeken die aantonen dat nog verbetering mogelijk is met betrekking tot de zogenoemde ‘shared decision-making’ tijdens de consultatie. Wanneer de argumenten voor en tegen een bepaalde behandeling werden uitgewisseld, moeten patiënt en arts samen beslissen. Het lijkt erop dat de arts nog teveel te eenzijdigbeslist.


Een patiënt empoweren is echter meer. Als patiënt en arts samen tot een behandeling hebben beslist, is het essentieel dat de arts de zogenoemde ‘self-efficacy’ van de patiënt versterkt. Die term staat voor het vertrouwen in eigen kunnen van de patiënt. Die kan best overtuigd zijn van een behandeling maar de uitvoering ervan niet haalbaar vinden. Daarin moet de arts dus de patiënt ondersteunen en sterken.

Het is pas met die laatste fase dat de echte basis is gelegd tot ‘patient empowerment’ in de patiënt-artsrelatie. De arts heeft dan getracht om in relatie tot meerdere resources de controle met de patiënt te delen, ook tijdens het beslissingsproces. Waar de afhankelijkheid van een resource van de arts blijft, tracht hij aan de patiënt in elk geval een gevoel van controle te geven. Daarom moet een arts in de eerste plaats ook beseffen dat hij macht heeft omdat de patiënt van hem of haar afhankelijk is. Het besef dat de patiënt controle verliest en daaronder kan lijden, is de motivatie voor de arts om er iets aan te doen.

Daarmee is het ‘empowerment’ niet noodzakelijkerwijs helemaal gerealiseerd. Een patiënt kan ook afhankelijk zijn van resources buiten de patiënt-artsrelatie, zoals van de administratie van een zorgorganisatie (bijvoorbeeld een ziekenhuis of rusthuis) of van de organisatie van de gezondheidszorg in het algemeen. Als huisartsen hun patiënten ook daarbij ondersteunen, hetgeen in de praktijk ook soms gebeurt, zetten ze nog een stap verder in het empoweren van hun patiënten. Zo vervullen huisartsen soms ook de rol van gids in het gezondheidszorgsysteem.

Als een geneesmiddel dat voor een patiënt belangrijk is, echter niet wordt terugbetaald door de sociale zekerheid, kan ook een zeer bereidwillige huisarts daar weinig aan doen. Of als een patiënt een gezondmakend dieet niet kan volgen omdat hij of zij in armoede leeft, staat de arts ook eerder machteloos. Daarom is totale ‘patient empowerment’ niet enkel de verantwoordelijkheid van de arts maar ook van de leefomgeving van de patiënt en van het gezondheidszorgsysteem. Daar kan de arts ook met de best mogelijke communicatie weinig aan veranderen.

Patiënt empowerment is daarom de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen op alle niveaus en tijdens elke fase van het zorgproces.